Wat is eerlijkheid in een oneerlijk systeem? Hoe blijf je fair als maker in een verschralend werkveld en dure wereld? Wat is fair pay, ondernemerschap en ‘investeren in de toekomst’ echt waard? Samen met theaterwerkers, fondsen en instellingen zoeken we naar eerlijke antwoorden en nieuwe voorstellen.


What the Fuck is FAIR? #2 — Theater Utrecht — 19.11.2025

Uitgelicht

In het nieuwe huis van Theater Utrecht aan de Boorstraat verzamelen zich zo’n dertig theaterwerkers voor de tweede bijeenkomst van “What the Fuck is FAIR?”,  georganiseerd door Platform Horizon, Ensemble Nieuwe Theaterwerkers, Festival Cement en Theater Utrecht. Deze sessie bouwt voort op de eerste bijeenkomst, waarin werd gesproken over fair pay en nieuwe makers. Toen bleef één vraag nadrukkelijk hangen: wanneer is iets een professionele investering, en wanneer is het in feite onbetaalde arbeid?

Met een theoretisch kader van cultureel econoom Arjo Klamer, een persoonlijke voordracht uit het “investeringsdagboek” van Gerben Vaillant en een reeks complexe stellingen over investeren, probeert deze bijeenkomst dichter bij een antwoord te komen.


Verslag: Iris Jasmijn van Lieshout

Een appel en een ei

Bij binnenkomst ontvangen de deelnemers een symbolisch “appel en ei”: een knipoog naar de uitdrukking “voor een appel en een ei werken”. De bijeenkomst wordt geopend door dramaturg en moderator Floor Cremers (die invalt voor Bregt van Deursen, die helaas vanwege ziekte niet aanwezig kan zijn) en Simone Hogendijk, coördinator van Platform Horizon. Na een korte introductie naar het thema en het programma, stellen zij de eerste gast voor: cultureel econoom Arjo Klamer.

Arjo Klamer is gastprofessor Humane Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast geeft hij les aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) en werkt hij momenteel aan een boek met de titel The Humane Economy. Hij voorziet deze avond van een theoretisch kader en zal vertellen over het onderwerp ‘waarde’.

Meteen benadrukt hij dat het meeste dat hij over waarde heeft geleerd, hem is geleerd door kunstenaars. Kunstenaars laten volgens hem zien dat de dingen die mensen écht waardevol vinden — relaties, betekenis, inspiratie, verbeelding — zich meestal buiten het domein van geld afspelen. Tegelijkertijd is geld onmisbaar om te kunnen leven en werken. Daardoor komen kunstenaars in een lastige, vaak wankele positie terecht: ze creëren volop waarde, maar zijn slecht aangesloten op de economische structuren die vooral draaien om meetbaarheid en marktlogica. Dat maakt hun verhouding tot geld niet alleen complex, maar soms ook paradoxaal.

Wat leveren die kopjes koffie precies op? En kost dat niet enorm veel tijd? En wie financiert dat dan?


Temperaturen van relaties

Om die verhouding beter te begrijpen introduceerde de econoom drie “temperaturen” van financiële relaties: Koude relaties (directe ruil, voor wat hoort wat), lauwe relaties (zoals subsidies: je krijgt geld, maar onder voorwaarden en criteria) en warme relaties (giften, filantropie, mensen die uit betrokkenheid of interesse schenken).
Volgens Klamer zouden kunstenaars meer moeten investeren in warme relaties: duurzame verbindingen die verder gaan dan transacties. Dat vraagt aandacht, tijd en uiteraard “veel kopjes koffie”. Iets wat ons in de cultuursector niet vreemd is. Toch roept het een aantal vragen op. Wat leveren die kopjes koffie precies op? En kost dat niet enorm veel tijd? En wie financiert dat dan?


De datingservice

Investeren betekent in deze context kapitaal opbouwen in verschillende vormen: financieel, sociaal, menselijk en vooral cultureel kapitaal. Dat laatste — betekenis genereren — is juist het domein waarin kunstenaars sterk zijn. Klamer oppert zelfs het speelse idee van een “datingservice” waarin de “interessante levens” van kunstenaars gekoppeld worden aan “saaie levens” van potentiële investeerders. Met als fantasie: het uurtarief van die investeerders (rond de €200,- per uur) als vergoeding voor het delen van artistieke inspiratie.

De uitvoering daarvan is natuurlijk ingewikkeld, maar het idee geeft een interessante wending aan het gesprek: Hoe creëer je eigenlijk een warme relatie? Wat levert dat op?
 Wanneer ben je aan het bieden en wanneer lijkt het op bedelen? Durven mensen überhaupt te erkennen dat ze een ‘saai leven’ hebben dat ze willen verrijken?

Volgens Klamer hebben kunstenaars vaak moeite met het uitspreken van hun eigen waarde. Wat ontbreekt is niet zozeer talent, maar overtuigingskracht: het vermogen anderen deelgenoot te maken van het maakproces en ze mede-eigenaar te laten voelen. Zonder deelgenootschap verdwijnen volgens hem kansen op warme relaties en lange-termijninvesteringen.

Waarom zou ik investeren in jouw kunst als jij niet kunt uitleggen waarom die belangrijk is?


Daarom pleit hij voor bemiddelaars of “makelaars” die kunstenaars kunnen helpen om meer directe vormen van crowdfunding of waardeopbouw te organiseren. De kern: kunstenaars moeten nadenken over wat ze te bieden hebben, hoe ze betekenis produceren, en hoe anderen dat kunnen gaan zien.

Tijdens het gesprek geeft dit theoretische kader niet alleen richting, maar vooral ook frictie. Het biedt iets om tegenaan te schoppen, en juist dat activeert het publiek en zet de discussie op scherp. De kernvraag — “Waarom zou ik investeren in jouw kunst als jij niet kunt uitleggen waarom die belangrijk is?” — raakt een gevoelige snaar. Want die uitleg is niet vanzelfsprekend, zeker niet in woorden die passen in economische logica.

Mimer, theatermaker en schrijver Gerben Vaillant, die later zijn eigen “investeringsdagboek” zal voorlezen, verwoordt dat dilemma scherp. De waarde van kunst is vaak niet direct aantoonbaar, zegt hij. Er schuilt een gevaar in kunst die zich gaat voegen naar vraag en aanbod, kunst die maatschappelijk nut moet bewijzen. Daarmee gaat mysterie verloren, of poëzie — terwijl kunst misschien juist moet blijven schuren, vragen stellen en ruimte creëren voor wat nog niet vaststaat. Is de waarde niet juist die uitgestelde waarde, vraagt hij zich af.


Afbeeldingen


Verlangen naar vanzelfsprekendheid

Ook komt er nog een belangrijke vraag aan het licht: hoe ontwikkel je zo’n warme relatie zonder je autonomie te verliezen? Hoe voorkom je afhankelijkheid, of een soort “niet goed, geld terug”-verwachting?

Het gesprek schuurt verder wanneer de vraag opkomt hoe kunstenaars kritisch kunnen blijven in een systeem waarin de warmste geldschieters soms juist de personen zijn op wie je kritiek zou willen leveren. Kunnen zij die kritiek wel aan? En belangrijker: Is zo’n systeem gebaseerd op geld ooit echt eerlijk te krijgen?

“Ik wil gewoon doen waar ik goed in ben.” brengt een van de nieuwe makers in. Ze voelt frustratie bij het huidige systeem en ze benoemt scherp een ontbrekende schakel: ze excelleert artistiek, maar niet in verkoop of onderhandeling. “Ik wacht al zes jaar op een zakelijk leider,” zegt ze. Volgens haar zit het probleem niet in de kunst, maar in het ontbreken van verbinding met de kunstsector en het gebrek aan ondersteuning.

Haar wens is om te kunnen focussen op het artistieke en niet het financiële wordt breed gedeeld. Hoe lang moeten we blijven uitleggen waarom kunst belangrijk is? Waarom is die waardering niet vanzelfsprekend? Er is een sterk verlangen naar een nulpunt: een basis waarin kunst vanzelfsprekende waarde heeft, zonder dat dit telkens opnieuw onderbouwd hoeft te worden.

Hoe lang moeten we blijven uitleggen waarom kunst belangrijk is? Waarom is die waardering niet vanzelfsprekend?


Het investeringsdagboek

Er blijft spanning in de zaal. Er is een duidelijke kloof tussen enerzijds het verlangen naar eerlijke betaling zonder uitleg, en anderzijds het idee dat je die waarde juist expliciet moet maken om die betaling mogelijk te maken. Op het moment dat het publiek nog voelbaar geladen is, is het tijd voor de voordracht van Gerben Vaillant.

Wanneer Simone Hogendijk hem introduceert, reageert hij meteen ontwapenend: opgesomd zijn zijn prestaties indrukwekkend, maar hij ervaart zelf dat de werkelijkheid minder glansrijk is. Dat spanningsveld vormt het vertrekpunt voor het investeringsdagboek dat hij voorleest — een dagboek dat, achteraf bezien, een wrange ondertoon heeft gekregen, omdat juist die reeks investeringen heeft bijgedragen aan de druk die hij momenteel voelt.

Hij erkent dat hij het “luxe” heeft: hij leeft van zijn kunst, hij is zichtbaar, het gaat goed. Tegelijkertijd laat hij zien wat daarachter schuilgaat. Hij begint met een formule die hij ergens las: wie op zijn achttiende besluit rijk te worden, wordt gelukkig; wie besluit kunstenaar te worden, niet. Speels voegt hij eraan toe dat hij hoopt dat het nog goedkomt — hij heeft tenslotte onlangs aandelen gekocht.

Vervolgens vertelt hij over het koffietentje waar hij vaak werkt: wanneer het leven tegenzit, trakteert hij zichzelf op een pecanbar en een filterkoffie van samen zo’n veertien tot zeventien euro. Hij rekent uit wat dat per maand betekent en legt dit naast de vergoeding die hij krijgt voor het bijhouden en voorlezen van dit dagboek. Ook al vindt hij het spannend en bijna ordinair om de prijs zo hardop te noemen, benadrukt hij zijn verlangen: “Ik wil het waard zijn.”

Tegelijkertijd geeft hij toe dat hij soms juist niet betaald wil worden en verlangt stiekem naar de brutaliteit en punk-energie van de periode waarin hij nog geen honorarium kreeg. Hij verwijst daarbij naar Drawings for Children van Ed Atkins, het boek met ruim 200 post-it-tekeningen dat naast hem op de grond ligt. Atkins maakte deze tekeningen ’s ochtends aan de ontbijttafel, op dat half-slaperige moment, en stopte ze vervolgens in de lunchtrommel van zijn dochter. Iets van die tussen-slaap-en-waken-kwaliteit, het rauwe, het vrije mist hij in zijn huidige manier van werken.

Met zijn dagboek legt hij tal van paradoxen bloot: het verlangen om “groot” of extreem succesvol te worden, je gezondheid in acht nemen, over je grenzen gaan, bang zijn je punk te verliezen, gezien willen worden, het gevoel van mislukking, wantrouwen richting (potentiële) geldschieters en Australische filmproducers, het geld waard willen zijn, jezelf belonen met een pecanbar of een synthesizer, nee moeten zeggen, je schuldig voelen en bang zijn gebruikt te worden, meer willen, minder willen en tevreden zijn.

Het dagboek is grappig, eerlijk en persoonlijk, en maakt het thema van de bijeenkomst op een directe en invoelbare manier tastbaar. Terwijl hij voorleest, wordt de zaal zichtbaar geraakt: zijn observaties bieden niet alleen een nieuw perspectief, maar openen ook een onverwachte blik achter de schermen van het kunstenaarschap. Het laat een wereld zien die normaal verborgen blijft, maar in één klap herkenning oproept bij vrijwel iedereen in de ruimte.

Tegelijkertijd geeft hij toe dat hij soms juist niet betaald wil worden en verlangt stiekem naar de brutaliteit en punk-energie van de periode waarin hij nog geen honorarium kreeg.


Wie jaag je van tafel?

De bijeenkomst wordt voortgezet met een reeks stellingen die de vraag “What the fuck is fair?” op scherp zetten en de deelnemers uitdagen om positie te kiezen: “Are you in or are you out?” De stellingen beslaan uiteenlopende situaties, van onbetaalde regieassistenties tot fondsenwervers die worden ingehuurd met geld uit eerdere projecten. Elke stelling kent meerdere niveaus, waardoor deelnemers steeds opnieuw moeten aangeven waar zij staan en welke keuzes zij bereid zijn te maken.

Een van de makers geeft aan dat zij altijd haar eigen “sluitpost” is: ze betaalt zichzelf structureel niet uit, uit een morele overtuiging dat het project belangrijker is dan haar eigen inkomen. Anderen voegen toe dat ze soms het gevoel hebben “gebruikt te worden”: wanneer werk je vanuit betrokkenheid, en wanneer word je ingezet zonder dat er sprake is van wederkerigheid?

Sommigen geven ook toe dat ze soms gratis aanschuiven (bijvoorbeeld bij gesprekken over beleid vanuit gemeentes of overheidsorganisaties), omdat het belangrijk voelt om erbij te zijn. “Ik kan me dat veroorloven.” Daarop kwam een kritisch tegenargument: doordat juist mensen die zich dat kunnen veroorloven altijd aan tafel zitten, blijven anderen — vaak mensen met alternatieve perspectieven — structureel buiten beeld. Zo ontstaat ongelijkheid in wie invloed heeft op beleid en wie niet. En zijn het niet juist de mensen die zich dit niet kunnen veroorloven de mensen die daar moeten zitten? Wie jaag je eigenlijk van tafel door opdrachten gratis aan te nemen?


In gesprek blijven

Als afsluiting spreekt Anne Breure (onder meer betrokken bij de Fair Practice Code, waar de eerste bijeenkomst ook over ging) van Theater Utrecht kort de groep toe. Ze benoemt het belang van voortdurend met elkaar blijven onderhandelen, definiëren en herijken: Wat is fair, vandaag, in deze context, met deze mensen? Volgens haar levert dit gesprek niet alleen begrip op, maar ook daadwerkelijk kapitaal in de vorm van bewustzijn, verbondenheid en gedeeld taalgebruik.

Anne benadrukte dat de Fair Practice Code vooral draait om samenwerken en gedeelde verantwoordelijkheid: het gaat om vertrouwen, solidariteit en het samen vormgeven van eerlijke praktijken. De code biedt een gemeenschappelijk kader waarbinnen instellingen, makers, fondsen en politiek met elkaar in gesprek blijven over hoe je duurzaam en eerlijk samenwerkt, en ze sprak de hoop uit dat deze gesprekken nog lang blijven doorgaan.

Aan het einde van de bijeenkomst werd duidelijk dat eerlijkheid in de praktijk nooit vanzelfsprekend is. Het vraagt om voortdurende afwegingen, keuzes en soms ook ongemakkelijke gesprekken. Tegelijkertijd liet de sessie juist de kracht van die gesprekken zien: door ervaringen, vragen en frustraties te delen, ontstaat begrip, verbinding en meer transparantie. Fair blijkt daarmee geen statisch concept, maar een voortdurend proces van bevragen, herijken en verbinden.

Bekijk het event op: theaterutrecht.nl

Tekst: Iris Jasmijn van Lieshout / Datum: 19.11.2025 / Locatie: Theater Utrecht / Organisatie: Platform Horizon, Festival Cement, ENT (Ensemble Nieuwe Theaterwerkers) & Theater Utrecht / Foto’s: Platform Horizon