De aankondiging voor deze makersmeeting ging over samen regie nemen: zelf grip krijgen op speelbeurten, festivals als podium, onderzoek doen met publiek. Die vragen komen die middag zeker langs in de vele gesprekken. Maar in de gesprekken lijkt er gaandeweg een diepere laag te worden aangeboord, waarin samen regie nemen vooral gaat over hoe je, tussen fondsen, organisatie en administratie door dicht bij je artistieke kern kan blijven. Het gaat deze middag dus minder over het podium en meer over de grond eronder.
Toepasselijk bevinden we ons in het bos, met de geur van natte aarde en bomen om ons heen. Boven de locatie van de dag, Café De Mug in het Amsterdamse Bostheater , vliegen voortdurend vliegtuigen over. Het is een geluid dat je op zo'n middag niet meer wegdenkt, een constante herinnering dat deze plek, hoe rustig ook, nooit afgesloten is van de wereld eromheen. Dat spanningsveld tussen beschutting en blootstelling blijkt achteraf ook een rode draad in deze bijeenkomst voor locatie-theatermakers en mede-mogelijkmakers.
Verslag door: Iris Jasmijn van Lieshout
Verslag Locatietheater denken en doen #5 Bosfest - Amsterdams Bostheater
Uitgelicht
IMG 6734b
Hoe beweeg je je als locatie-theater-maker buiten rigide structuren?
Bart de Woestijne en Simone Hogendijk openen de middag. Platform Horizon bestaat nu iets meer dan een jaar, en de vraag die de groep bezighoudt is inmiddels verschoven. Het gaat niet langer alleen om wát er veranderd moet worden aan het veld van het locatietheater, maar vooral om hóe die verandering in gang te zetten is. Bij elke bijeenkomst wordt geprobeerd dat steeds iets concreter te maken. Het terugkerende doel blijft hetzelfde: locatietheater op de kaart zetten (locatietheater weer ‘sexy’ maken, zoals Bart het verwoord), kennisdeling, solidariteit en ruimte geven aan nieuwe samenwerkingen in tijden van schaarste.
Bart vertelt over zijn eigen weg door het veld. Via uiteenlopende talenttrajecten en makersregelingen (Oerol, Over het IJ, Cement, Diorapthe, AFK) bouwde hij toe naar een eigen gezelschap. Wat hij daarbij merkte: hoe meer hij een organisatie werd, hoe minder ruimte er overbleef voor het autonome artistieke onderzoek waar het hem ooit om begonnen was. De groei die in de sector als succes geldt, lijkt er dus voor te zorgen dat de kern van je praktijk het onderspit delft.
Toen hij onder de zaaglijn van de subsidies uitkwam, moest hij plotseling verder met veel minder. Dit betekende onder andere personeel loslaten, herstructureren, opnieuw beginnen. Het dwong hem ook terug naar de kern van zijn artistiek onderzoek. Inmiddels werkt hij nog steeds vanuit zijn stichting, maar met een veel kleiner team. Het ongemak zit hem er nu in dat hij richting fondsen nog altijd moet doen alsof hij een volledig gezelschap runt, terwijl hij eigenlijk vooral dat diepere artistieke onderzoek wil voortzetten. Zijn vraag aan de groep is dan ook hoe je je buiten die rigide structuren kan bewegen.
Het is een vraag die blijft hangen, ook omdat niemand er meteen een antwoord op heeft. Toepasselijk, want Bart maakt in zijn Werkplaats van de Woestijne "denkervaringen": ervaringen waarin je als publiek op zoek gaat naar je eigen antwoord op een grote, onmogelijke vraag. Via liefdesbrieven, artist-led practices en bingokaarten beginnen we aan onze eigen “denkervaring” en zoektocht.
Liefdesbrief aan de locatie: Benjamin Kuitenbrouwer
Circusmaker en acrobaat Benjamin Kuitenbrouwer, van gezelschap Monki Business, leest deze keer de liefdesbrief voor (een terugkerend onderdeel in deze makersmeetings, om stil te staan bij waar we het allemaal om doen en bij waar we op dat moment zijn). De brief is deze keer gericht aan De Locatie zelf (niet enkel het Bostheater, maar de locatie in het algemeen), en aan al haar toevalligheden. Hij vertelt hoe hij stiekem verliefd is geworden op De Locatie en op alles wat ze met zich meebrengt, dit in schril contrast met de steady black box waarin hij zich als acrobaat in het begin van zijn loopbaan zo veilig voelde. “Ik wilde hangen met vlakke vloer en schuifelen met schouwburg.”
De Locatie, zo vertelt hij, bleef geduldig op hem wachten en qua relatie zijn ze nooit helemaal monogaam. Hij vertelt hoe hij ooit een mooi getimed overvliegend vliegtuig bejubelde, waarop de locatie de volgende keer twintig vliegtuigen stuurde, ietwat overkill, maar veelzeggend. De locatie wordt in deze brief beschreven als een werkend, levend iets wat van alles afvuurt op de locatie makers. Onstuurbaar, maar als je open staat voor die veelheid, werkt het prachtig mee. “En dan dat uitzicht, nog nooit was ik zo blij dat ik paalacrobaat ben.”
De black box fungeerde als beschutting, veilig, neutraal, onder controle. De locatie is hier het tegenovergestelde: blootstelling aan weer, toeval en twintig overvliegende vliegtuigen tegelijk. "Ik wilde binnen maken," zegt hij, "en dan iets maken dat aansloot op buiten." Daarmee raakt Benjamin de kern van waarom locatietheater ertoe doet: het verbindt de kunst letterlijk met de wereld waarin ze bestaat, door er middenin te gaan staan. Waar de black box juist probeert ruimte en tijd te neutraliseren, dwingt de locatie je om aanwezig te zijn in wat er werkelijk ís. Hij sluit af met een simpele, bijna kinderlijke uitnodiging: “Kom, we gaan buiten spelen!”
Artist-led practices: het Domijn en Platform Nexus
Babette Kalker en Karlijn Hamer van Platform Nexus vertellen vervolgens over hun platform dat ze zelf hebben gebouwd op het Domijn in Weesp, een culturele vrijplaats. Ze vergelijken het met een school: waar kruisbestuiving niet wordt georganiseerd maar spontaan ontstaat in de gangen. Ze willen dat graag delen met meer makers, maar hoe je zoiets organiseert en dicht bij je kern blijft, blijft een open vraag.
Dit jaar doen ze bewust geen festival. In plaats daarvan herijken ze: wat is eigenlijk de kracht van wat ze doen, en hoe geven ze dat op een manier vorm die werkelijk doet wat ze willen? Het werk doen ze vrijwillig, maar kost enorm veel tijd, een spanning die door de hele middag heen blijft terugkeren. Ze hebben inmiddels de Wijkimpuls (AFK) gekregen en reflecteren actief op hoe ze de toekomst willen vormgeven: vier keer per jaar iets organiseren, meer naar binnen gericht, meer work-in-progress. Ook hier blijkt de balans tussen organisatie en artistieke inhoud lastig te bewaken.
Ze willen meer makers korte residenties aanbieden, zodat publiek kunst in verschillende ontwikkelfases kan meemaken, met een contextprogramma eromheen. Maar de inhoudelijke vraag richting dat publiek blijft moeilijk: wat wil je nu eigenlijk, van dat publiek, in zo'n vroeg stadium? Ook hier speelt het spanningsveld tussen beschutting en blootstelling een duidelijke rol.
Bingokaarten, wederzijdse kwetsbaarheid en domme vragen
In het volgende onderdeel krijgt de groep de opdracht om met elkaar in gesprek te gaan over wensen en behoeften vanuit de eigen praktijk. Het gesprek start met de eigen voorwaarden in kaart brengen via de "bingokaarten," waarna in drie kleinere groepen wordt besproken hoe die kaarten zijn ingevuld en waar iedereen tegenaan loopt. Zo is er een bingokaart met ‘tijd’, met daarin de categorie minuten, uren, dagen, maanden, jaren. Maar ook ‘ruimte’, met daarin bos, studio, speelplek, denkplek, schrijfplek, leegstaand gebouw en meer.
In de groepsgesprekken ging het vooral over de vraag in hoeverre je je tot organisatorische zaken wilt verhouden binnen je eigen praktijk, en welke elementen daarin meespelen: fondsen, netwerken, administratie. Ook kwamen de "domme vragen" ter sprake, de vragen die je soms hebt, maar waarbij het onduidelijk is bij wie je daarmee terecht kunt. Je weet namelijk niet wat je niet weet. Tegelijk merkten we dat onze eigen vragen nog niet concreet genoeg waren, waardoor ook het antwoord ver weg bleef liggen. Daaruit ontstond de wens om met iemand te kunnen sparren, om de hulpvraag scherper te krijgen.
Wat daarvoor nodig is, werd samengevat in een nagesprek op de tribune van het Bostheater, met op de achtergrond het festival wat langzaam geopend werd: wederkerige kwetsbaarheid tussen poortwachters en makers, wederzijds klankborden, wederzijds engagement. Zulke alternatieve vormen van samenwerking kosten weliswaar meer tijd, maar zijn juist daardoor waardevol, niet ondanks hun inefficiëntie, maar dankzij. De drang naar efficiëntie werd expliciet benoemd als iets om te onderzoeken, niet om daadwerkelijk naar te luisteren.
Balans en waarom dit zo lastig is
Die worsteling met hoe en in hoeverre je je wil verhouden tot die organisatorische zaken en tegelijkertijd dicht bij je kern blijven binnen een artistieke praktijk, laat zich goed begrijpen vanuit het werk van cultuursocioloog Pascal Gielen over de artistieke biotoop.
Gielen onderscheidt vier ruimtes waarin de artistieke praktijk zich afspeelt. De domestic space is de private, intieme ruimte van experiment en onderzoek, zonder druk om een eindproduct te leveren. De communal space is die van uitwisseling met peers en professionals, waar werk in een vroeg stadium getest kan worden, precies wat Platform Nexus met haar residenties beoogt. De market space is de commerciële ruimte waarin het werk zijn marktwaarde krijgt, essentieel voor het inkomen van de maker, de ruimte waarin Bart zich, tegen wil en dank, steeds verder in voelde wegglippen. En de civil space is de publieke ruimte van vertoning, discours en maatschappelijke legitimering, de ruimte waar we ons bevinden, Bosfest.
Zo beweegt Gielens model eigenlijk van beschutting naar blootstelling: van de besloten domestic space, via de communal en market space, naar de volledig publieke civil space, waar het werk zich ten volle aan de buitenwereld moet bewijzen. Gielen stelt dat een duurzame artistieke praktijk afhangt van balans tussen deze vier ruimtes: te veel leunen op één ervan (meestal de market space, onder druk van fondsen en overleving) belemmert de ontwikkeling van een kunstenaar.
Gielen introduceert daarnaast het begrip dismeasure: het idee dat hoogwaardige kunst en vakmanschap juist ontstaan door de afwezigheid van strikte meetbaarheid of structuur. Artistieke verdieping vraagt om flexibiliteit, geruime tijd en de vrijheid om jezelf volledig onder te dompelen in het proces. Hij beschrijft een werkwijze van jezelf "verliezen": pas in volledige overgave kun je volledig aanwezig zijn. Het is dezelfde overgave die directeur Ingejan Ligthart Schenk beschrijft als de absolute basis van zijn praktijk. Waar wil ik mijn tijd insteken? Waar wil ik me volledig aan over geven?
Zo laat Gielens model zich uitbreiden met een vijfde, ongrijpbare ruimte die aan categorisering ontsnapt en vloeiend tussen de andere vier beweegt, voortdurend verschuivend, morfend, dwalend en zelfs falend. Deze ruimte doorweeft de bestaande structuren, infecteert ze, lost grenzen op en verstoort de gevestigde orde. Het is precies in die ruimte dat Platform Horizon zelf opereert: geen domestic, communal, market of civil space op zich, maar de vraagtekens die deze middag tussen al die ruimtes door worden geplaatst.
De middag eindigde met een gedeelde, half serieuze, half dromerige wens: een groot Zuidas-kantoor overnemen en er samen een gedeelde backoffice van maken, met gezamenlijke aanvragen, pr-machine én intervisie. Genoeg ideeën dus voor Platform Horizon en de omringende community om de komende tijd verder uit te werken. Terwijl we verder onderzoeken hoe we beweging in gang kunnen zetten in dit veld, is de locatie daar natuurlijk allang, met of zonder ons, altijd anders, en altijd goed voor twintig vliegtuigen.